Utrecht - Springweg 166 - gesloopt 1925 - oud adres0000.0011

 

 Literatuur

 

- "Lijst der verkochte huizen, enz." In: Utrecht voorheen en thans, 1837, blz. 40 ("Den 4 November 1837, door den Notaris G.H. Stevens:
No 1. Een Huis, Erve en Grond, in de Jufvrouwstraat bij de Geertekerk, Wijk B, No 596. Opgehouden voor f. 1300." - dit is de relevante tekst volledig)   Opmerking: Wijk B, nr 596 betreft twee in 1925 gesloopte panden van de Synagoge. - jp 09-2019

 

- Zwarts, Jac. e.a., Nederlandsch Israëlitische Gemeente Utrecht 200 jaar. Waarin opgenomen herdruk van Jac. Zwarts, "De synagogen te Utrecht". Utrecht (Nederlandsch Israëlitische Gemeente Utrecht), 1989cop. [88 blz. ISBN -].

- Zwarts, Jac., "De oudste geschiedenis der joden te Utrecht". In: Jaarboek Oud-Utrecht, 1929, blz. 99-112, hierin blz. 112

- Lijn, Joost van der, "Over het Utrechtse Mikwe". In: Oud-Utrecht (tijdschrift voor geschiedenis van stad en provincie Utrecht) [ISSN 1380.7137], [jrg 88], [08-] 2015, blz. 122-126 (De auteur is technoloog, beheerst Hebreeuws en Arabisch en deed onderzoek naar het eerste protocolboek van de Joodse Gemeente Utrecht. Hij concludeert dat de duiding van de put aan de Payenburgsteeg als mikwe uiterst ongeloofwaardig is. Naast het genoemde protocolboek heeft hij de dagrapporten van de opgraving bestudeerd. De waterkelder is gedateerd op ergens tussen 1775 en 1825. In 1789 kregen joden toestemming zich in Utrecht te vestigen. De joden kregen kort na hun toelating van het gemeentebestuur toestemming voor het houden van synagogediensten. Die werden in eerste instantie gehouden in het huis van Isaac Eliazer van Lier, Korte Nieuwstraat 12. In 1792 werd de voormalige Mennonietenkerk aan de Springweg, dan in gebruik als houtopslag, in gebruik genomen als synagoge en in 1792 aangekocht. Dit gebouw lag heel gunstig: niet aan de straat, maar achter een rij kleine huisjes. De koster woonde naast de synagoge. Zijn aanstellingsactie uit 1794 vermeldt (vertaald uit het Hebreeuws): "Zijn loon zal zijn het woonhuis naast de synagoge waar hij gratis zal wonen en het badhuis [letterlijk: 'huis van onderdompeling', dat wil zeggen mikwe] er in [cursivering JvdL] voor mannen en vrouwen, de betaling voor de dompeling zal zijn voor de genoemde koster, als vermeld in de reglementen." Tevens werd door het reglement verboden dat iemand anders een mikwe zou maken.
Jac. Zwarts bespreekt in De Synagogen te Utrecht, 1926, het mikwe. "In één der perceelen was ook het ritueele bad der Gemeente gevestigd. Vóór 1817 was hiertoe slechts één kamertje ingericht. Daarna, in 1830, werd het oude 16de-eeuwsche gebouwtje, de voormalige kerkekamer, daartoe bestemd. Spoedig bleek, dat de dames met den nieuwen toestand maar matig ingenomen waren. Daarom besloot de Kerkeraad reeds op 17 mei 1818 in het huis tegenover de Synagoge, voorheen bewoond door W.M. Coster een geheel nieuw bad aan te leggen en daarmee zoo spoedig mogelijk aan te vangen. Ook het oude bad was in 1825 gerepareerd en geschikt voor het gebruik gemaakt." Het nieuwe bad was alleen voor geïmmatriculeerde leden die op een lijst stonden, de overige dames gebruikten het oude bad. "Bij de bouw van 1848 werd de badinrichting tenslotte geheel verbeterd."
Van der Lijn concludeert dat er sind 1794 een mikwe op de Springweg was. "Het is niet uitgesloten dat er privé-faciliteiten bestonden, maar een locatie daarvoor de Payenborg is onwaarschijnlijk." Hij geeft ook een reeks van andere argumenten die pleiten tegen de duiding van de put aan de Payenburgsteeg als mikwe.)